Kinderkerk Studentenkerk Nijmegen!Kinderkerk

Studentenkerk
Nijmegen
Terug naar nulniveauKinderkerk
Terug naar niveau 1AnderWerk
 
Menu Jona leeg
Jona:
 
Spel & tekst
Muziek
 
Bijbeltekst
Preek 
 
Brief
 
Zoek in Kinderkerk

Jona: Preek bij Jona 3

Preek van Hendrik Jan Bosman, gesproken in de Studentenkerk Nijmegen op 20 oktober 2002, op een viering die de derde in een reeks van vier over het boek Jona was; aansluitend aan deze preek kwamen de kinderen in de kerk, en speelden ouderen en kinderen gezamenlijk het kringlied Jona!

 

In de lezingen tot nu toe kwam het boekje Jona ons vrij dichtbij. Je kunt heel wat herkennen in die Jona, die wegloopt voor zijn opdracht, of het nu uit angst is of onwil; Jona die in het diepste duister terechtkomt, op zichzelf teruggeworpen; het gaat steeds over de belevenissen en gevoelens van een enkel mens. Een mens niet beter of sterker dan jezelf. Daar kun je je in inleven, aan spiegelen soms zelfs.

Het gedeelte van vandaag is anders. Minder persoonlijk. Een hele stad mensen tegelijk, hoe moet je je daar in herkennen? En dan nog, wat zou het je moeten zeggen? Dat God vergeeft als je maar berouw toont? Voor iemand die is opgegroeid in een kerk en een traditie die zoiets al eeuwenlang beweert, is dat nu ook weer niet iets om onmiddellijk rode oortjes van te krijgen.

Toch moet juist dit gedeelte, zo stel ik mij voor, voor de eerste mensen aan wie het verteld werd, het meest schokkende stuk van het hele boekje geweest. Die mensen waren Joden, die leefden in een tijd dat Nineve al niet meer bestond. In 612 v. Chr. was de stad veroverd en verwoest, en nooit meer opgebouwd. De puinhopen kon je nog zien liggen. Maar de herinnering aan wat Nineve geweest was, die was bij die Joodse mensen nog heel levend.

Nineve was de hoofdstad geweest van het grote Assyrische Rijk, een van de meest agressieve en wrede grootmachten die de wereld tot dan toe gekend had. "Hoog te paard rijdt onrecht langs de wegen. Zijn zegeningen: vuur en zwaard", hebben we net gezongen. Als dat lied destijds ergens op sloeg, dan was het wel op de Assyrirs. Zo’n beetje het hele Midden-Oosten hadden ze onder de voet gelopen. En, wat het Joodse volk nog het meest na kwam, de Assyrirs hadden tien van de twaalf stammen van Isral uit het land weggevoerd, naar wie weet waarheen, in een ballingschap waaruit ze nooit meer zijn teruggekeerd. Dt is het Nineve waar we het hier over hebben. Niet zomaar een voorbeeld van verlies aan normen en waarden, maar de plek van waaruit de deportatie van het grootste gedeelte van het volk Isral georganiseerd was. Een symbool van geweld en onrecht in het groot, de zetel van het kwaad zelf.

En dan vertellen die Joden dit verhaal. Over dat grote Nineve, dat de wacht aangezegd krijgt. Een verhaal vol spot en humor, trouwens. Die humor begint al direct. Nineve was drie dagreizen groot, staat er. En direct daarop: Jona gaat n dagreis ver de stad in. Dat wil dus zeggen, dat hij nog een halve dag lopen van het centrum vandaan is, waar de koning en de regering zitten. Laten we zeggen, zo’n beetje bij het eerste winkelcentrum. Typisch Jona: als puntje bij paaltje komt, krabbelt hij toch weer een beetje terug.

Maar zijn boodschap is dit keer glashelder: "Nog veertig dagen en Nineve wordt ondersteboven gekeerd!" zegt hij letterlijk. Ondersteboven gekeerd. En dat is niet zomaar een term. Want er zijn maar twee andere steden in het Oude Testament waarvan steeds weer wordt gezegd dat ze ondersteboven gekeerd zijn, en dat zijn Sodom en Gomorra. Sodom en Gomorra, tot in het Nederlands zijn dat namen die synoniem zijn met verwording, onrecht, geweld. Namen zijn het, geen steden meer, want ze zijn ondersteboven gekeerd. En zo is het met Nineve ook, lijkt Jona te zeggen. Een nieuw Sodom en Gomorra. Net zo slecht en gewelddadig. En reken maar dat het net zo ondersteboven gaat.

De eerste luisteraars moeten bij dit zinnetje gegrinnikt hebben, omdat ze de toespeling wel begrepen. En ze zullen ook geknikt hebben. Inderdaad, zo zal het wel aflopen: God heeft Nineve ondersteboven gekeerd. Dat kan haast niet anders, want kijk maar om je heen: Nineve bestaat toch niet meer? De puinhopen kun je tot op de dag van vandaag zien liggen.

En het wordt nog veel mooier. Zie het maar eens even voor je: in de hoofdstad van het Assyrische wereldrijk, drie dagreizen groot, staat net buiten het centrum n enkele vreemdeling te roepen. Hij roept dat een of andere onbekende God, van een of ander rotlandje, de stad zal verwoesten. Moet het grote Nineve daarvan onder de indruk raken? Dat is toch een lachertje?

Maar moet je nu eens zien: De mensen geloven Jona massaal. Die hele machtige wereldstad raakt totaal in paniek. En de koning lijkt nog het bangst van iedereen. Hij heeft Jona niet eens zelf gehoord, maar heeft alles van horen zeggen. Toch komt hij direct van zijn troon af om boete te doen. Hij gaat zelfs zo ver dat hij voor alle zekerheid ook het vee maar laat meedoen met vasten en bidden, want je weet maar nooit. Geweldig toch? Waar blijft het nou, het grote Assyri, met al z’n gebral? En toespraak van een profeet van God, en ze beven als een rietje en buigen als een knipmes. Een klucht is het. En het mooiste is: al dat vertoon van spijt, al die boetedoening, het zal ze niks helpen, dat zit er dik in. Want Nineve is tenslotte omgekeerd, dat is een ding dat zeker is. Ik zei het al eerder: dit verhaal is geschreven toen het echte Nineve inderdaad al lang in puin lag.

Niet zo netjes misschien, dat leedvermaak. Maar laten we daar niet al te snel over oordelen. Als het waar is dat de naam Nineve beelden oproept van Sodom en Gomorra; van geweld, agressie en deportatie, is het dan niet heel terecht dat je hoopt dat zo’n stad aan zijn eind komt? Dat je oprecht blij bent dat er godzijdank, inderdaad: God zij dank, alleen nog puinhopen van over zijn? Aan het eind van deze dienst zingen we een lied dat vol staat met diezelfde hoop: "De ijdelheden op hun pauwentroon, de luchtkastelen van de sterken: al wat hoog staat aangeschreven zal Gods woord niet overleven". Deze wereld omgekeerd. Daar staat de Bijbel vol mee. Met het geloof in een wereld waarin het recht niet aan de kant van de grootste bek staat, maar aan de kant van wie het nodig hebben. Een wereld waarin voor de Nineve’s geen plaats meer is. Ze hadden groot gelijk, die eerste luisteraars van dit verhaal.

Maar dan toch die paar korte zinnetjes, aan het eind van het verhaal: "Toen God zag dat zij terugkwamen van hun kwade levenswandel, kreeg hij spijt van het kwaad waarmee hij de stad bedreigd had, en hij deed het niet". Dat moet zijn ingeslagen als een bom. Hoezo, het kwaad waarmee hij Nineve had bedreigd? Wie had er hier nu eigenlijk kwaad gedaan? En gaat dat dan maar zo makkelijk? Een half werelddeel onder de voet lopen; volkeren van hot naar haar deporteren; dan een paar dagen vasten en alles is weer koek en ei? Vergeving is iets moois, natuurlijk, maar laat God de boel niet gewoon op z’n beloop? Als toch Nineve, uitgerekend Nineve, zo makkelijk wegkomt, waar kun je dan verder nog op hopen? Die hoop dat onrecht ooit een keer rechtgezet wordt, gaat dat dan nog wel ergens over? Of trekken de Nineve’s tenslotte toch nog een lange neus naar hun slachtoffers?

Vragen, vragen, vragen. En bij die vragen blijft het vanochtend, want het hoofdstuk is uit. Volgende week pas lezen we, hoe Jona ook worstelt met deze onverwachte vergeving. En misschien, wie weet, krijgen we wel iets van een antwoord. Komen dus, zou ik zeggen. Maar tot die tijd moeten we het met de vragen doen. En dat is zo slecht nog niet. Denk er maar eens over na, deze week. Want het zijn me nogal vragen. Dat rechtelozen geholpen moeten worden, dat is helder. Maar wat moet er gebeuren met wie onrecht pleegt? Hoe stel je je dat eigenlijk voor, zo’n visioen als "deze wereld omgekeerd, dat lachen zullen zij die wenen?" Moeten dan ook wenen zij die nu lachen? Moeten de Nineve’s echt ondersteboven gekeerd worden? Ja, natuurlijk, denk je soms. Nee, natuurlijk niet, denk je dan weer. Maar hoe moet het dan wel? "Vrede, hoe maak jij vrede?"

En ook voor je eigen leven kan een verhaal als dit vragen oproepen. Vergeven is een mooi ideaal. Maar soms ben je gewoon ontzettend boos om onrecht dat mensen jou, of iemand die je lief is, aandoen. Wil het verhaal van vandaag zeggen dat je altijd maar met "sorry" genoegen moet nemen? Bij echt rechtzetten van dingen hoort toch ook dat er wat aan de schade gedaan wordt, als dat nog kan?

Heen en weer geslingerd kun je worden door dit soort vragen; heen en weer gejonast tussen ja en nee, tussen oprecht boos zijn en vergeven, tussen rechtsgevoel en verlangen naar vrede. Niet zo leuk natuurlijk, maar beter de goede vragen dan de al te makkelijke antwoorden, lijkt mij.

Ik zei het al: denk er maar eens over na deze week. Dat heen en weer gejonast worden kunnen we zo meteen alvast wat oefenen. En dit keer gaan de kinderen ons daarin voor. Doet u mee?

[Aansluitend wordt samen met de kinderen van de kinderkerk het spellied ‘Jona!’ gezongen, waarbij de kinderen bij elk couplet de kring in- of uitgejonast worden.]

20 oktober 2002
 
Kinderkerksitelogootje
© Willibrord Huisman 1990-2013
Reacties? Vragen? Graag!
Deze website bevat spel, tekst, muziek, opnamen en verslagen
van 22 jaar Kinderkerk in de Studentenkerk
van de Radboud Universiteit Nijmegen