Kinderkerk Studentenkerk Nijmegen!Kinderkerk

Studentenkerk
Nijmegen
Terug naar nulniveauKinderkerk
Terug naar niveau 1AnderWerk
 
Menu Jona leeg
Jona:
 
Spel & tekst
Muziek
 
Bijbeltekst
Preek 
 
Brief
 
Zoek in Kinderkerk

Jona: bijbeltekst

Bron: Willibrordvertaling, Katholieke Bijbelstichting, 1995

 

INLEIDING OP HET BOEK JONA

HET BOEK Jona (Jon), geschreven rond 400 v.Chr., is geen verzameling profetenwoorden, maar een 'novelle' over iemand die alleen in 2 K 14,25 profeet wordt genoemd.

Het is een verzonnen verhaal, dus historisch niet echt gebeurd. Maar dat hoeft ook niet. Ook verzonnen en symbolische verhalen kunnen grote waarheden en een rijke boodschap verkondigen.

De HEER draagt Jona op naar de verdorven stad Nineve te gaan. Nineve staat hier symbool voor het buitenland, voor de vreemde wereld van de heidenen, waar men de HEER niet kent. Maar Jona weigert dienst. Hij gaat niet naar Nineve. Hij vertrekt in de tegenovergestelde richting. Hij scheept zich in voor Tarsis. Dat is richting west, de richting van de nacht en van de dood. Hij daalt af in het ruim van het schip. Zo diep mogelijk. Daar valt hij in een diepe slaap. Maar de HEER ontketent een hevige storm. De matrozen trachten door het lot te achterhalen bij wie de schuld ligt. Het lot valt op Jona. Deze bekent dat hij op de vlucht is voor de HEER. Op eigen verzoek wordt hij overboord geworpen. Een grote vis slokt hem op. In de buik van de vis waant Jona zich in de onderwereld. Hij ziet er de dood voor ogen. Nu begint de ommekeer. Hij roept God om hulp en bidt om bevrijding in een prachtige psalm (2,3-10), die het verhaal onderbreekt en mogelijk door een latere redacteur werd ingelast. De HEER verhoort zijn gebed. Na drie dagen spuwt de vis Jona op het droge. Zo staat hij na zijn mislukte vluchtpoging opnieuw aan het vertrekpunt.

Voor de tweede maal wordt Jona naar Nineve gezonden. Nu vlucht hij niet. Hij gaat. Als het dan toch niet anders kan, zal hij die verdorven inwoners van Nineve eens duchtig de les lezen: 'Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!' (3,4). Na deze donderpreek gaat Jona buiten de stad zitten afwachten wat er met Nineve zal gebeuren. Hij wil zien hoe de HEER de stad straft. De HEER is zo goed om voor Jona een schaduwrijke ricinusboom te laten opschieten. Die moet hem behoeden voor een zonnesteek. Vanuit de schaduw kan Jona zien hoe Nineve ten onder zal gaan. Maar na veertig dagen gebeurt er helemaal niets. Integendeel. De bewoners doen boete, zij roepen een vasten uit en bekeren zich. Het gevolg is dat God spijt krijgt van zijn plan om Nineve te gronde te richten. Hij brengt het niet ten uitvoer. Dat maakt Jona kwaad en nijdig. Hij bidt: 'Ach HEER, heb ik het niet gezegd, toen ik nog in mijn land was! Daarom heb ik het willen voorkomen door naar Tarsis te vluchten! Ik wist immers, dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde, U hebt altijd berouw over onheil' (4,2).

Dan is het de beurt aan de HEER om Jona de les te lezen. De auteur vertelt dit met veel humor. De HEER laat de ricinusboom, die Jona schaduw bezorgt, na één nacht verdorren. En Hij laat de zon harder schijnen dan ooit. Dat maakt Jona kwaad, erg kwaad. Dan spreekt de HEER: 'U bent begaan met die ricinusboom, waarvoor u niets hebt gedaan en die u niet hebt opgekweekt ... Zou Ik dan niet begaan zijn met Nineve, de grote stad, waar zoveel mensen wonen?' (4,10-11). Op deze vraag volgt geen antwoord. Het blijft een open vraag. Over Jona heen wordt zij gericht aan de lezers, dus aan ieder van ons. Het boek Jona leert ons allereerst dat wij God niet kunnen ontvluchten. Verder dat God oneindig goed en barmhartig is: Hij heeft medelijden met Jona als die hier kwaad om wordt. Op de derde plaats, en vooral, leert deze novelle ons dat Gods liefde alle mensen zonder onderscheid omvat; zij roept op tot openheid, verdraagzaamheid en vergeving. Ten slotte waarschuwt zij ons voor hoogmoed en zelfoverschatting: anderen zijn vaak beter dan wij denken, ja beter dan wijzelf.

Het boek Jona is als volgt opgebouwd:
1. Jona's roeping en vlucht (1,1)
2. Gebed en redding van Jona (2,1-11)
3. Jona's optreden in Nineve (3,1-10)
4. De HEER leest Jona de les (4,1-10).

1. Jona's vlucht

HET woord van de HEER werd gericht tot Jona, de zoon van Amittai: 'Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en zeg haar, dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij.' En Jona stond op, om naar Tarsis te vluchten, weg van de HEER. Hij ging naar Jafo en hij trof een schip aan dat naar Tarsis ging; hij betaalde voor de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de HEER.

Maar de HEER smeet hevige wind op de zee en er brak op de zee zo'n hevige storm los, dat het schip dreigde te breken. De zeelieden werden bang, en ieder van hen riep zijn eigen god aan. Om het schip lichter te maken gooiden ze de lading in zee. Jona echter was afgedaald tot in het diepst van het ruim, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. De kapitein kwam naar hem toe en zei tegen hem: 'Hoe kunt u zo diep slapen? Sta op en bid tot uw god; dan denkt die god misschien aan ons, en gaan wij niet te gronde!'

De mannen zeiden tegen elkaar: 'Kom, laten we het lot werpen om te zien aan wie het ligt, dat deze ramp ons treft.' Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. Zij vroegen hem: 'U, aan wie het ligt dat deze ramp ons treft, vertel ons eens: waarom bent u op reis en waar komt u vandaan? Wat is uw land en tot welk volk behoort u?' Jona antwoordde: 'Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEER, de God van de hemel, die de zee en het land gemaakt heeft.' Toen werden de mannen zeer angstig en ze zeiden tegen hem: 'Hoe hebt u zoiets kunnen doen?' Ze hoorden dat hij, om weg te komen van de HEER, op de vlucht was gegaan: dat vertelde hij hun namelijk. Zij vroegen hem: 'Wat moeten we met u doen om door de zee met rust gelaten te worden?' De zee werd namelijk steeds stormachtiger. Hij antwoordde hun: 'Neem mij maar op en smijt mij in zee: dan zal de zee u met rust laten. Ik weet dat het aan mij ligt dat deze hevige storm u heeft getroffen.'

De mannen deden nog een poging om terug te roeien naar het land, maar zij slaagden daar niet in, omdat de zee om hen heen steeds stormachtiger werd. Daarom riepen zij tot de HEER: 'Ach HEER, laat ons niet te gronde gaan, wanneer wij deze man om het leven brengen, en reken ons dit niet aan als het vergieten van onschuldig bloed; want U, HEER, hebt immers verlangd, dit te laten gebeuren!'

Toen namen zij Jona op en smeten hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. De mannen werden met grote vrees voor de HEER vervuld; ze brachten een offer aan de HEER en deden geloften.

2. Redding van Jona

De HEER zond een grote vis om Jona te verzwelgen. En Jona was in de buik van de vis, drie dagen en drie nachten. En in de buik van de vis bad Jona tot de HEER, zijn God. Hij zei:

'In mijn nood roep ik de HEER aan,

en Hij heeft mij geantwoord.

Uit de schoot van de onderwereld schreeuw ik:

luister naar mijn stem!

U hebt mij in de afgrond geworpen,

in het hart van de zee;

stromen water omgeven mij;

al uw brekers, al uw golven slaan over mij heen.

Ik zei het al: ik ben verworpen,

uit uw ogen verbannen.

Hoe zal ik ooit nog uw heilige tempel aanschouwen?

Het water staat tot mijn lippen,

de oceaan omringt mij,

mijn hoofd is met wier omwonden.

Tot aan het grondvlak van de bergen

ben ik in de onderwereld afgedaald;

haar grendels zijn achter mij dichtgegaan, voor eeuwig.

Trek mij levend omhoog uit de grafkuil, HEER, mijn God!

Nu mijn levensadem het begeeft,

gaan mijn gedachten naar de HEER.

Laat mijn gebed tot U komen,

in uw heilige tempel.

Degenen die waanbeelden dienen

geven hun genade prijs.

Maar ik, ik wil onder lofgezang

offers aan U brengen,

ik wil mij houden aan mijn gelofte.

Bij de HEER is redding.'

Toen sprak de HEER tot de vis en de vis spuwde Jona op het droge.

3. Jona's optreden in Nineve

Nu werd het woord van de HEER voor de tweede maal tot Jona gericht: 'Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en kondig haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.' En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de HEER bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona ging de stad in, één dagreis ver. Toen riep hij: 'Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!'

Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en iedereen, van groot tot klein, trok boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en ging in het stof zitten. Hij liet in Nineve omroepen: 'Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; iedereen moet terugkomen van zijn slechte wegen en van het geweld dat aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en er spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende woede, zodat wij niet te gronde gaan.'

En God zag wat zij deden; Hij zag dat zij terugkwamen van hun slechte wegen. En God kreeg spijt dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer.

4. Twistgesprek tussen Jona en God

Jona vond dit echter een heilloos besluit en hij werd nijdig. Hij bad tot de HEER: 'Ach HEER, heb ik het niet gezegd, toen ik nog in mijn land was! Daarom heb ik het willen voorkomen door naar Tarsis te vluchten! Ik wist immers, dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde, U hebt altijd berouw over onheil. U kunt mijn levensadem van mij wegnemen, HEER: de dood is mij liever dan het leven.' Maar de HEER vroeg: 'Is er wel een reden om nijdig te zijn?'

Jona ging de stad uit en aan de oostkant van de stad gekomen, ging hij zitten. Hij maakte een loofdak en ging daaronder in de schaduw zitten kijken, wat er met de stad zou gebeuren. Nu liet de HEER God een ricinusboom opschieten, boven Jona uit, om zijn hoofd schaduw te geven en hem zo van zijn wreveligheid te genezen. Jona was opgetogen over de ricinusboom. Maar toen beschikte God het zo, dat er de volgende dag in alle vroegte een worm kwam die de boom aanvrat waardoor hij verdorde. Bovendien beschikte God dat, zodra de zon was opgekomen, een verzengende oostenwind opstak; en de zon stak zo hevig op Jona's hoofd, dat hij uitgeput neerzonk. Hij verlangde te sterven en zei: 'De dood is mij liever dan het leven.' Maar God vroeg aan Jona: 'Is er wel reden om zo nijdig te zijn over de ricinusboom?' Hij antwoordde: 'Ja, ik heb reden om door en door nijdig te zijn!'

Daarop sprak de HEER: 'U bent begaan met de ricinusboom, waarvoor u niets hebt gedaan en die u niet hebt opgekweekt, die boom die tussen de ene nacht en de andere is opgeschoten en vergaan. En zou Ik dan niet begaan zijn met Nineve, de grote stad, waar zoveel mensen wonen, meer dan twaalf tienduizendtallen mensen, die het verschil tussen hun rechterhand en hun linkerhand niet weten, en ook nog zoveel dieren?'

 
Kinderkerksitelogootje
© Willibrord Huisman 1990-2013
Reacties? Vragen? Graag!
Deze website bevat spel, tekst, muziek, opnamen en verslagen
van 22 jaar Kinderkerk in de Studentenkerk
van de Radboud Universiteit Nijmegen